Van massaproducent naar luxemarkt
bezig met laden...
Door de opkomst van goedkope textielproductie uit China is Turkije een belangrijke inkomstenbron aan het verliezen. Sinds de textielquota in 2005 zijn opgeheven is de export aanzienlijk gekrompen. Tijd voor een offensief. Het land gaat zich steeds meer richten op productie van kleding in de hogere segmenten en op export van eigen merken. Balizza bijvoorbeeld, dat wel de Turkse Dolce&Gabbana wordt genoemd en net een 'flagship store' in Leipzig heeft geopend. Anderzijds begint de Turkse markt voor Europese luxemerken ook steeds belangrijker te worden. Nu de modebeurzen nog.
Istanboel is een stad van contrasten. Enerzijds Europees, anderzijds Aziatisch verenigt het twee continenten en hun beider cultuur en symboliek. Istanboel is een mengelmoes van hamburgerketens en mezze restaurants en van vrouwen in minirok of djellaba. Het is een stad waar je iedere dag van het jaar een andere nachtclub zou kunnen bezoeken en waar minaretten en moskeeën het uitzicht bepalen. Ook de Turkse modebranche heeft verschillende facetten. Met enerzijds de Turkse textielindustrie, stereotiep gekenmerkt door massaproductie en gedateerde collecties. Anderzijds is de Turkse consumentenmarkt voor luxegoederen zo sterk in opkomst dat die internationale modehuizen doet watertanden. Luxemerken als Valentino, Louis Vuitton, Alexander McQueen, Gucci en Cavalli hebben inmiddels eigen winkels in Istanboel en het chique Britse Harvey Nichols heeft er in oktober vorig jaar een heel warenhuis geopend.
Turkije werkt ook aan een eigen luxe-industrie. Er zijn Turkse luxemerken zoals Balizza, een merk met opvallende, sexy dameskleding. (Het wordt ook wel de Turkse Dolce&Gabbana wordt genoemd.) Ontwerpers worden gestimuleerd en vorig jaar is een vereniging voor Turkse modeontwerpers opgericht, die hen internationaal promoot. Daarnaast is het land druk bezig de eigen productiemogelijkheden te verbeteren, vooral teneinde weerstand te bieden aan China. Door de opkomst van de goedkope massaproductie uit dat land is Turkije een belangrijke bron van inkomsten aan het verliezen. Vóór de afschaffing van de textielquota in 2005 was het de belangrijkste textielproducent van Europa. De Turkse textielindustrie levert werk aan ruim 1,5 miljoen mensen. Inclusief deeltijdarbeid gaat het om ongeveer 2,5 miljoen. Dat lijkt niet zoveel voor wie bedenkt dat alleen al in Istanboel 15 miljoen mensen wonen, maar wel als blijkt dat het hier om 10 procent van het nationale inkomen van het land gaat. De Turkse textielexport bedroeg ruim éénderde van het totaal en is in twee jaar tijd afgenomen naar minder dan 25 procent. Nu heeft het land maar twee keuzes: veranderen of ondergesneeuwd raken. Door meer hoogwaardige productie wil Turkije een betaalbaar alternatief bieden voor de dure kledingproductie in Europese landen als Portugal en Italië. "Door de gestegen arbeidskosten, is produceren ook hier duurder geworden," zegt Mustafa Mente, directeur van de Turkse vereniging van textielproducenten TGSD. Volgens Mente is de productieprijs per artikel in Turkije tussen 2003 en 2006 met 20 procent gestegen. Waarom zou je hier dan toch je collecties laten maken? "Omdat het snel gaat," zegt de directeur. "Turkse fabrikanten zijn zich meer gaan richten op productie voor de hogere segmenten en hanteren levertijden van vier tot zes weken. De Turkse textielindustrie kan alleen overleven door flexibel en snel te zijn en goede service te bieden. Dat realiseert men zich terdege." Bovendien is het een stuk dichterbij dan China. Mente zegt dat Turkije eigenlijk de rol van Italië als productieland zou willen overnemen.
Rusland
Behalve op Europa houdt men de blik ook op Rusland gericht. Mente: "Vroeger waren de Verenigde Staten en Europa onze belangrijkste exportmarkten. Inmiddels heeft Rusland de rol van de VS overgenomen." Dat betekent niet dat Russische merken hun collecties in Turkije laten produceren zoals de Amerikanen deden, maar Turkse kledingmerken hebben in Rusland wel een goede afzetmarkt. Dat wordt bevestigd door een woordvoerder van Cons Jeans uit Istanboel, die vertelt dat zijn bedrijf inmiddels in vrijwel iedere Russische stad een winkel heeft. "In Europa zijn wij ook actief," - en hoe, het merk heeft winkels van Finland tot Spanje en van Groot Brittannië tot Polen - "maar Rusland is voor ons echt het meest belangrijk."
De focus op Rusland kwam nadrukkelijk naar voren tijdens de International Istanbul Fashion Fair (IIFF) die begin februari voor de negende keer plaatshad. Er werd zelfs speciaal een congres aan gewijd. De Russische vakpers was sterk vertegenwoordigd op de modebeurs die een record aantal bezoekers telde. De organisatie noemde een aantal van 40.000 van wie 4.350 bezoekers afkomstig waren uit het buitenland. Ook het aantal exposanten was met 20 procent gestegen, mede een gevolg van het samenvoegen van twee concurrerende modebeurzen in de beurshallen van organisator CNR Expo. IIFF besloeg maar liefst vijf hallen en alle segmenten van design tot positiemode, jeans en lingerie. "Het is zo ver," zei Süleyman Orakçioglu, directeur van exportvereniging ITKIB tijdens de opening, "De Turkse mode-industrie herneemt zijn plaats op de wereldmarkt. De shows en collecties spreken voor zich." Een gewaagde uitspraak aangezien een aantal grote nationale aanbieders op de beurs ontbrak. De Orka Groep, waar Orakçioglu nota bene directeur van is, was alleen met de herenmerken D'S en de - vrij nieuwe - Gothic Tween Black lijn op de beurs aanwezig. Andere belangrijke herenmerken van de groep zoals Damat, Tween en ADV waren er niet. Grote Turkse damesmodemerken als Ipekyol en Fabrika waren evenmin vertegenwoordigd, maar of die veel aandacht uit het buitenland hadden kunnen trekken valt te betwijfelen. Ipekyol mag met 48 winkels in eigen land bijvoorbeeld goed lopen, maar met de ouderwetse aanpak van twee hoofdcollecties per jaar en geen flashleveringen is het de vraag of het merk tussen de 'fast fashion' in West-Europa kan functioneren. Toch wil het ook internationaal groot worden en heeft het eigen winkels in Londen en Parijs (2008) voor de jongerenlijn Manchka op de planning staan. Het voorbeeld van Ipekyol wil overigens niet zeggen dat Turkije geen 'fast fashion' merken kent. Koton, een keten die vaak met Zara wordt vergeleken, was wel op de beurs aanwezig. Maar naar eigen zeggen was de reden daarvoor eigenlijk om de collectie te tonen en niet zozeer om nieuwe klanten te trekken.
Braaf
IIFF was volgens ingewijden dit seizoen veel beter dan voorgaande keren. Toch deed het buitenlandse journalisten meer denken aan modebeurzen zoals die 20 jaar geleden in Europa werden georganiseerd. Kale hallen, brave standbouw, lege stands en weinig vernieuwende aanbieders voerden de boventoon. Exportvereniging ITKIB had een trendhal verzorgd met creatieve aankleding. Hier had een groep studenten van een mode-opleiding uit Izmir (van oudsher de stad van bruids- en avondmode) een stand ingericht met prijswinnende ontwerpen. Verder was er werk van jonge designers te vinden die het vooral goed deden bij de buitenlandse pers, maar nauwelijks door Turkse winkeliers werd bezocht. Typerend was de modeshow van de Portugese ontwerpster Fatima Lopes, gastvrij afgesloten met een uitgebreid lopend buffet voor vijfhonderd man. Lopes bracht een commerciële collectie op het plankier die weinig verrassend was, maar door het publiek prachtig werd gevonden. "Ik heb veel vernieuwender werk van haar gezien," zei een Portugese modejournalist na afloop, "maar zij wil hier verkopen en dat is gelukt."